Opstellen kerststal

Het Kind

In de oudste voorstellingen van de geboorte van Jezus laten Hem zien als het Kind, liggend in een kribbe, in doeken gewikkeld. Hij is de centrale persoon in de voorstelling. Alle aandacht gaat naar Hem uit. Zo zal het ook moeten zijn in onze kerststallen: het Kind is degene naar wie alle anderen gericht zijn. Het is dan ook belangrijk dat het Kind in onze kerststal goed te zien is, zeker ook door kinderen die voor de kerststal staan, en dat Hij niet verdwijnt achter andere figuren

De os en de ezel

In onze kerststallen komt de os en de ezel een belangrijke plaats toe, vanwege hun verwijzende rol naar degenen die in het Kind van Betlehem God (er)kennen. Daarom zullen zij dicht in de buurt van het Kind blijven, bij voorkeur – zoals in de Oudchristelijke tijd – direct achter het Kind.

Maria en Jozef

In onze kerststallen komt aan Maria en Jozef een ereplaats toe. Vaak zijn zij zó gemaakt dat ze richting het Kind kijken, met een eerbiedige houding. Vanuit de kijkrichting geldt dat Maria aan de linkerkant van het Kind in de kribbe wordt opgesteld en Jozef rechts.

Herders

De herders zijn de eersten die geroepen worden om bij het Kind te komen. Zij waren Joden. Jezus is allereerst gekomen voor zijn eigen Joodse volk.
Om dit uit te drukken, is het zinvol om de herders in de kerststal ook bij elkaar te plaatsen. Vaak is er een oudere herder die knielt. Dit drukt aanbidding uit. Die knielende herder komt het best tot zijn recht als hij ten opzichte van zijn ‘collega’s’ het dichtst bij het Kind wordt neergezet.

De Wijzen

Evenals de herders verdient het aanbeveling om de Wijzen/Koningen – al of niet met hun kameel en kameeldrijver – bij elkaar te plaatsen, en wel zo dat de volgorde van de leeftijden wordt aangehouden: het eerst (het dichtst bij het Kind) de ouderdom, vervolgens de middelbare en ten
slotte de jeugdige leeftijd.

Engel

De engel verkondigde de geboorte van de Redder aan de herders. Veelal afgebeeld met de tekst „Gloria in excelsis Deo‟ of „Eer aan God in den hoge‟ drukt de engel uit waartoe wij ten diepte onze kerststallen opstellen: tot eer van God, om Hem te danken voor zijn menswording voor heel de mensheid.

Bron: Nieuwsbrief van het Aartsbisdom Utrecht, nr. 27 (16 november 2011)

De oudste voorstellingen van de geboorte van Jezus en de aanbidding van de Wijzen dateren uit de derde-vierde eeuw. Centraal ligt het Kind in doeken gewikkeld in de kribbe met de os en de ezel als zijn voornaamste gezelschap. Bij de aanbidding door de Wijzen houdt Maria – gezeten op een stoel – het Kind (uitgebeeld als een jonge leraar) voor zich op schoot. De Wijzen dragen hun geschenken aan. Zij lopen alle drie en kennen nog geen onderscheid in leeftijd, houding en huidskleur.
Vanaf de 12de eeuw komt er meer aandacht voor het menselijke, het gevoel, de emotie. De H. Bernardus van Clairvaux mediteerde over de armoede van de stal. De H. Franciscus van Assisi bracht het in beeld: in 1223 hield hij een kerstviering bij de grot bij Greccio, waar toen de afbeelding van het Kerstkind te zien was, met een echte os en ezel. Hij wilde de armoede van het Kind en daarmee zijn lijden met eigen ogen zien.
Na deze ‘levende’ kerststal van de H. Franciscus komen er kerststallen met losse beelden. Eén van de oudste is van Arnolfo di Cambio uit ca. 1289; deze is te zien in de schatkamer van de basiliek Santa Maria Maggiore te Rome. Maria is dan op een flinke verhoging gezeten met het naakte Kind
op schoot.